De axenroos van Ferdinand Cuvelier is een bril waarmee je naar gedragingen van mensen en hun interacties kan kijken», licht Mia De Vleeschhouwer (Relatiestudio) toe. «Het vermogen om zich op een bepaalde wijze relationeel te gedragen, noemen wij een ax. Een evenwichtig individu kan alle axen innemen, kan al die relatiewijzen gebruiken om anderen te bejegenen. Voor elke ax is er echter zowel een gezonde of goedgemutste als een krampachtige of slechtgemutste manier. Je kan terecht trots zijn als een pauw, maar je kan onterecht altijd of juist nooit in de kijker willen staan.
Voor kinderen stelt de axenroos de menselijke gedragingen voor door middel van tien totemdieren. Daarmee kan je - als in het fictieve voorbeeld in de marge - makkelijker over sociale vaardigheden van mensen en hun relaties van gedachten wisselen, mondeling en schriftelijk. Tussen leraren en ouders, interne en externe leerlingenbegeleiders, leraren en eraren, maar ook en vooral tussen leraren en leerlingen en tussen leerlingen onderling.
In drie zones ordent Ferdinand Cuvelier zes relatiewijzen:

‘aanvechten' en ‘weerstaan' in de conflictzone (‘tegen'), ‘houden' en ‘lossen' in de afzonderingszone (‘uiteen'), ‘aanbieden' (of ‘geven') en ‘aannemen' (of ‘vragen') in de harmoniezone (‘samen'). ‘Aanbieden' kan op drie wijzen: ‘leiden', ‘zorgen' en ‘zich tonen'. Ook ‘aannemen' kan op drie manieren: ‘opkijken', ‘genieten' en ‘volgen'. Zo onderscheidt hij tien manieren waarop mensen ‘inzetten' uitwisselen. ‘Inzetten' noemt hij wat gesprekspartners langs communicatiekanalen (woorden, intonatie, gebaren, lichaamstaal...) uitwisselen: goederen, diensten, gegevens, richtlijnen, persoonlijkheid en ‘bijzijn'.
De beate sfeer van ‘We zijn allemaal vriendjes' uit de traditionele kleuterschool is achterhaald. Toch volgens het Centrum voor Ervaringsgericht Onderwijs (CEGO), ook uitgever van de Doos vol gevoelens en andere ervaringsgerichte leermiddelen. «Welbevinden is veel meer dan graag naar school komen», zegt CEGO-medewerkster Ilse Aerden. «Als een kind flink meewerkt, is dat dan een teken dat het enthousiast is en plezier beleeft aan zijn schoolwerk? Of dat het krampachtig doet wat de leerkracht vraagt om erkenning af te dwingen? Het is belangrijk dat de leerkracht het gedrag van het kind gedurende langere tijd in verschillende situaties observeert. Voelt het zich echt een goed mens? Is het kind uitdagend, volgzaam of open tegenover zijn leerkracht? Gedraagt het zich te clownesk of dominerend tegenover de klasgenoten of heeft het prettige en deugddoende contacten en ervaart het echte erkenning? Staat het op gespannen voet met zijn gezinsleden? Is het faalangstig of zelfbewust in de klas en op school? Heeft het een positief tijdverdrijf? Wat zijn de positieve en negatieve signalen? Daarna maakt de leerkracht de balans op: wat is het overwegende levensgevoel als je alle relatievelden bekijkt?»
Een belangrijk signaal van hoog welbevinden van een kind is juist dat het minder prettige gevoelens op een goede manier kan uiten. En dat kan je op school net zo goed leren als sommen maken en woorden spellen. Kinderen krijgen een taal mee om het sociaal-emotionele te verwoorden. Ze zien er klaarder door in hun gevoelens en gedragingen. Ze staan er emotioneel sterker door én leren zich beter inleven en uiten. Ook de leerkracht leert bewuster gedragingen en gevoelens van zichzelf en de leerlingen benoemen. Is dat niet wat we allemaal willen: gelukkiger leren zijn als kind of volwassene?